Veelgemaakte Engelse fouten door Nederlanders en hoe je ze voorkomt
Veelgemaakte Engelse fouten door Nederlanders ontstaan vaak door letterlijk vertalen vanuit het Nederlands. In dit artikel leer je de belangrijkste fouten herkennen, met duidelijke voorbeelden, Nederlandse vertaling en praktische tips om natuurlijker en correcter Engels te gebruiken.
Waarom Nederlanders vaak dezelfde Engelse fouten maken
Nederlanders horen en lezen veel Engels. Daardoor lijkt Engels soms makkelijker dan het echt is. Je herkent veel woorden, begrijpt korte teksten en kunt vaak een gesprek volgen. Toch betekent dat niet automatisch dat je foutloos Engels spreekt of schrijft.
Veel fouten ontstaan doordat Nederlands en Engels op elkaar lijken, maar niet altijd hetzelfde werken. Je vertaalt dan een Nederlandse zin woord voor woord naar het Engels. Soms begrijpt de ander je nog wel, maar de zin klinkt onnatuurlijk of grammaticaal fout.
Het goede nieuws: veel van deze fouten zijn makkelijk te voorkomen als je ze eenmaal kent.
Fout 1: I have 20 years
Veel Nederlanders zeggen:
I have 20 years.
Dat komt door het Nederlands:
Ik ben 20 jaar.
Maar in het Engels gebruik je to be bij leeftijd.
Correct:
I am 20 years old.
Ik ben 20 jaar oud.
Nog voorbeelden:
She is 35 years old.
Zij is 35 jaar oud.
My brother is 18 years old.
Mijn broer is 18 jaar oud.
Je zegt dus niet dat je jaren “hebt”, maar dat je zoveel jaar oud “bent”.
Fout 2: I am agree
Een andere bekende fout is:
I am agree.
Dit komt doordat Nederlanders denken aan:
Ik ben het eens.
Maar in het Engels is agree een werkwoord. Je hebt dus geen am nodig.
Correct:
I agree.
Ik ben het eens.
Voorbeelden:
I agree with you.
Ik ben het met je eens.
I don’t agree with this idea.
Ik ben het niet eens met dit idee.
Do you agree?
Ben je het ermee eens?
Onthoud: agree werkt zoals work, speak en learn. Het is een normaal werkwoord.
Fout 3: She work every day
In de present simple vergeten Nederlanders vaak de -s bij he, she en it.
Fout:
She work every day.
Correct:
She works every day.
Zij werkt elke dag.
Nog voorbeelden:
He speaks English.
Hij spreekt Engels.
It works well.
Het werkt goed.
My colleague lives in Rotterdam.
Mijn collega woont in Rotterdam.
Bij I, you, we en they gebruik je geen extra -s:
I work
you work
we work
they work
Maar:
he works
she works
it works
Fout 4: Does she speaks English?
Deze fout lijkt op de vorige. Veel beginners weten dat she speaks correct is, maar gebruiken daarna ook een -s na does.
Fout:
Does she speaks English?
Correct:
Does she speak English?
Spreekt zij Engels?
Waarom? Omdat does al laat zien dat het over he, she of it gaat. Het hoofdwerkwoord blijft daarom in de basisvorm.
Nog voorbeelden:
Does he work here?
Werkt hij hier?
Does it help?
Helpt het?
Does your sister live in Amsterdam?
Woont je zus in Amsterdam?
Niet:
Does he works here?
Fout 5: Did you went?
In de verleden tijd gebeurt hetzelfde met did. Na did gebruik je de basisvorm van het werkwoord.
Fout:
Did you went to work?
Correct:
Did you go to work?
Ben je naar je werk gegaan?
Nog voorbeelden:
Did she call you?
Heeft zij jou gebeld?
Did they understand the lesson?
Begrepen zij de les?
Did you see the email?
Heb je de e-mail gezien?
Niet:
Did you saw the email?
Omdat did al verleden tijd aangeeft, blijft het hoofdwerkwoord gewoon.
Fout 6: I didn’t saw it
Bij ontkenningen met didn’t maken Nederlanders vaak dezelfde fout.
Fout:
I didn’t saw it.
Correct:
I didn’t see it.
Ik heb het niet gezien.
Nog voorbeelden:
She didn’t call me.
Zij belde mij niet.
We didn’t go to the meeting.
Wij gingen niet naar de vergadering.
They didn’t understand the question.
Zij begrepen de vraag niet.
Na didn’t gebruik je altijd de basisvorm.
Fout 7: I make a photo
In het Nederlands zeg je:
Ik maak een foto.
Maar in het Engels zeg je meestal:
I take a photo.
Ik maak een foto.
Fout:
I make a photo.
Correct:
I take a photo.
Nog voorbeelden:
Can you take a photo of us?
Kun je een foto van ons maken?
I took many photos on holiday.
Ik maakte veel foto’s op vakantie.
She is taking a photo.
Zij maakt een foto.
Make betekent vaak maken of creëren, maar bij foto’s gebruik je take.
Fout 8: I have it busy
Deze fout komt direct uit het Nederlands:
Ik heb het druk.
Maar in het Engels zeg je:
I am busy.
Ik heb het druk.
Fout:
I have it busy today.
Correct:
I am busy today.
Ik heb het vandaag druk.
Nog voorbeelden:
She is very busy this week.
Zij heeft het deze week erg druk.
Are you busy now?
Heb je het nu druk?
I’m not busy tomorrow.
Ik heb het morgen niet druk.
Fout 9: I learn you English
In het Nederlands kan leren twee betekenissen hebben:
Ik leer Engels.
Ik leer jou Engels.
In het Engels gebruik je twee verschillende werkwoorden:
learn = zelf leren
teach = iemand iets leren
Fout:
I learn you English.
Correct:
I teach you English.
Ik leer jou Engels.
Of:
I am learning English.
Ik leer Engels.
Voorbeelden:
She teaches English.
Zij geeft Engelse les.
I learn English online.
Ik leer online Engels.
Can you teach me this word?
Kun je mij dit woord leren?
Fout 10: I go to home
In het Nederlands zeg je:
Ik ga naar huis.
Maar in het Engels zeg je:
I go home.
Ik ga naar huis.
Fout:
I go to home.
Correct:
I go home.
Nog voorbeelden:
I went home early.
Ik ging vroeg naar huis.
She is going home now.
Zij gaat nu naar huis.
When do you go home?
Wanneer ga je naar huis?
Bij home gebruik je vaak geen to na go.
Fout 11: On Monday versus in Monday
Bij dagen gebruik je in het Engels on.
Fout:
The meeting is in Monday.
Correct:
The meeting is on Monday.
De vergadering is op maandag.
Voor maanden en jaren gebruik je in.
I was born in July.
Ik ben geboren in juli.
She moved here in 2020.
Zij verhuisde hierheen in 2020.
Voor exacte tijden gebruik je at.
The meeting starts at nine.
De vergadering begint om negen uur.
Simpele regel:
on Monday
in July
in 2020
at nine o’clock
Fout 12: Fun en funny verkeerd gebruiken
Nederlanders gebruiken fun en funny soms door elkaar.
Fun betekent leuk of plezierig.
The lesson was fun.
De les was leuk.
Funny betekent grappig.
The video was funny.
De video was grappig.
Fout:
The party was very funny.
Dat kan klinken alsof het feest grappig was. Als je bedoelt dat het leuk was, zeg je:
The party was very fun.
Het feest was erg leuk.
Of natuurlijker:
The party was great.
Het feest was geweldig.
Hoe voorkom je deze fouten?
De beste manier is niet alleen regels lezen, maar correcte zinnen vaak herhalen. Leer vaste combinaties in plaats van losse woorden.
Bijvoorbeeld:
I agree with you.
I am busy today.
I take a photo.
I go home.
Does she speak English?
Did you go to work?
Maak ook je eigen foutenlijst. Schrijf zinnen op die je vaak verkeerd zegt en zet de correcte vorm ernaast.
Voorbeeld:
Fout: I am agree.
Correct: I agree.
Fout: I didn’t saw it.
Correct: I didn’t see it.
Herhaal deze lijst een paar keer per week. Zo verdwijnen fouten stap voor stap uit je actieve Engels.
Conclusie
Veel Engelse fouten door Nederlanders komen door letterlijk vertalen vanuit het Nederlands. Vooral zinnen met leeftijd, agree, do/does, did, make/take, learn/teach, voorzetsels en vaste uitdrukkingen zorgen vaak voor verwarring.
Als je deze fouten herkent en correcte voorbeeldzinnen vaak oefent, wordt je Engels snel natuurlijker. Focus niet op perfectie, maar op duidelijke patronen. Zo spreek en schrijf je met meer zekerheid in dagelijkse gesprekken, op werk, tijdens reizen en online.