Engelse werkwoorden leren: regelmatige en onregelmatige vormen
Engelse werkwoorden leren wordt veel makkelijker als je begrijpt welke vormen regelmatig zijn en welke je apart moet onthouden. In dit artikel leer je hoe Engelse werkwoorden werken, wat het verschil is tussen regelmatige en onregelmatige vormen en hoe je ze slim oefent met duidelijke voorbeelden en Nederlandse vertaling.
Waarom Engelse werkwoorden zo belangrijk zijn
Werkwoorden zijn de motor van bijna elke zin. Zonder werkwoord kun je moeilijk vertellen wat iemand doet, wat er gebeurt of wat je nodig hebt. Daarom is Engelse werkwoorden leren een belangrijk onderdeel van je basis.
Voorbeelden van veelgebruikte werkwoorden zijn:
work = werken
learn = leren
speak = spreken
go = gaan
have = hebben
do = doen
make = maken
see = zien
write = schrijven
read = lezen
Als je deze werkwoorden goed gebruikt, kun je al veel praktische zinnen maken voor werk, reizen, studie en dagelijkse gesprekken.
De basisvorm van een Engels werkwoord
De basisvorm is de vorm die je vaak in woordenboeken ziet. Bijvoorbeeld:
to work = werken
to learn = leren
to speak = spreken
to go = gaan
to write = schrijven
In gewone zinnen gebruik je meestal de vorm zonder to.
I work in Amsterdam.
Ik werk in Amsterdam.
We learn English online.
Wij leren online Engels.
They speak English at work.
Zij spreken Engels op het werk.
I write emails every day.
Ik schrijf elke dag e-mails.
Het woord to gebruik je vaak na andere werkwoorden, bijvoorbeeld na want.
I want to learn English.
Ik wil Engels leren.
She wants to speak better English.
Zij wil beter Engels spreken.
Present simple: let op he, she en it
In de tegenwoordige tijd gebruik je bij I, you, we en they meestal de basisvorm.
I work
ik werk
you work
jij werkt
we work
wij werken
they work
zij werken
Maar bij he, she en it komt er meestal een -s achter het werkwoord.
he works
hij werkt
she learns
zij leert
it helps
het helpt
Voorbeelden:
I speak English.
Ik spreek Engels.
She speaks English.
Zij spreekt Engels.
We learn every day.
Wij leren elke dag.
He learns every day.
Hij leert elke dag.
Dit is een kleine regel, maar Nederlanders vergeten hem vaak.
Regelmatige werkwoorden in het verleden
Regelmatige Engelse werkwoorden zijn makkelijk in de verleden tijd. Je voegt meestal -ed toe.
Voorbeelden:
work wordt worked
werken
learn wordt learned
leren
call wordt called
bellen
watch wordt watched
kijken
visit wordt visited
bezoeken
Voorbeelden in zinnen:
I worked yesterday.
Ik werkte gisteren.
She called me last night.
Zij belde mij gisteravond.
We watched a lesson online.
Wij keken online een les.
They visited London last year.
Zij bezochten Londen vorig jaar.
Deze vorm gebruik je voor acties die in het verleden gebeurd zijn en klaar zijn.
Spelling bij regelmatige werkwoorden
Soms verandert de spelling een beetje als je -ed toevoegt.
Bij werkwoorden die eindigen op e, voeg je alleen -d toe.
like wordt liked
leuk vinden
live wordt lived
wonen / leven
close wordt closed
sluiten
Voorbeelden:
I liked the lesson.
Ik vond de les leuk.
She lived in Utrecht.
Zij woonde in Utrecht.
Bij werkwoorden die eindigen op medeklinker + y, verandert y vaak in ied.
study wordt studied
studeren
try wordt tried
proberen
Voorbeelden:
I studied English yesterday.
Ik studeerde gisteren Engels.
He tried to answer the question.
Hij probeerde de vraag te beantwoorden.
Onregelmatige werkwoorden
Onregelmatige werkwoorden volgen niet de gewone -ed regel. Je moet ze apart leren.
Belangrijke voorbeelden:
go wordt went
gaan
have wordt had
hebben
do wordt did
doen
make wordt made
maken
see wordt saw
zien
come wordt came
komen
write wordt wrote
schrijven
read wordt read
lezen
Voorbeelden:
I went to work.
Ik ging naar mijn werk.
She had a meeting.
Zij had een vergadering.
We did the exercise.
Wij deden de oefening.
He made a mistake.
Hij maakte een fout.
They saw the film.
Zij zagen de film.
Waarom onregelmatige werkwoorden belangrijk zijn
Veel onregelmatige werkwoorden komen heel vaak voor. Daarom kun je ze niet overslaan. Woorden zoals go, have, do, make, take, get en see gebruik je in dagelijkse gesprekken steeds opnieuw.
Als je alleen regelmatige werkwoorden kent, kun je veel basiszinnen nog niet goed maken.
Vergelijk:
Today I go to work.
Vandaag ga ik naar mijn werk.
Yesterday I went to work.
Gisteren ging ik naar mijn werk.
Of:
Today I have a meeting.
Vandaag heb ik een vergadering.
Yesterday I had a meeting.
Gisteren had ik een vergadering.
Deze vormen moet je vaak herhalen totdat ze normaal voelen.
De derde vorm: past participle
Engelse werkwoorden hebben vaak drie belangrijke vormen:
basisvorm
verleden tijd
voltooid deelwoord
Bijvoorbeeld:
work – worked – worked
werken
go – went – gone
gaan
see – saw – seen
zien
write – wrote – written
schrijven
De derde vorm gebruik je bijvoorbeeld bij de present perfect.
Voorbeelden:
I have worked here for two years.
Ik werk hier al twee jaar.
She has gone home.
Zij is naar huis gegaan.
We have seen this video.
Wij hebben deze video gezien.
He has written an email.
Hij heeft een e-mail geschreven.
Voor beginners is het handig om werkwoorden meteen in drie vormen te leren.
Vragen maken met werkwoorden
In het Engels gebruik je vaak do, does of did om vragen te maken.
Present simple:
Do you speak English?
Spreek jij Engels?
Does she work here?
Werkt zij hier?
Past simple:
Did you call me?
Heb je mij gebeld?
Did they understand the lesson?
Begrepen zij de les?
Let op: na does en did gebruik je de basisvorm van het werkwoord.
Correct:
Does she work here?
Niet:
Does she works here?
Correct:
Did you go to work?
Niet:
Did you went to work?
Ontkenningen met werkwoorden
Voor ontkenningen gebruik je vaak don’t, doesn’t of didn’t.
Voorbeelden:
I don’t understand.
Ik begrijp het niet.
She doesn’t work here.
Zij werkt hier niet.
We didn’t go to the meeting.
Wij gingen niet naar de vergadering.
Ook hier blijft het hoofdwerkwoord in de basisvorm na doesn’t en didn’t.
Correct:
He doesn’t speak English.
Niet:
He doesn’t speaks English.
Correct:
I didn’t see the email.
Niet:
I didn’t saw the email.
Veelgebruikte Engelse werkwoorden met voorbeelden
Leer deze werkwoorden als complete zinnen.
to need = nodig hebben
I need help.
Ik heb hulp nodig.
to want = willen
I want to learn English.
Ik wil Engels leren.
to take = nemen
I take the train to work.
Ik neem de trein naar mijn werk.
to get = krijgen / worden / halen
I get many emails.
Ik krijg veel e-mails.
to give = geven
Can you give me an example?
Kun je mij een voorbeeld geven?
to know = weten / kennen
I know the answer.
Ik weet het antwoord.
to think = denken
I think this is useful.
Ik denk dat dit nuttig is.
Hoe leer je werkwoorden sneller?
Leer werkwoorden niet alleen als losse lijst. Maak altijd korte zinnen in meerdere tijden.
Voorbeeld met learn:
I learn English every day.
Ik leer elke dag Engels.
I learned English yesterday.
Ik leerde gisteren Engels.
I have learned many words.
Ik heb veel woorden geleerd.
Voorbeeld met go:
I go to work by train.
Ik ga met de trein naar mijn werk.
I went to work yesterday.
Ik ging gisteren naar mijn werk.
I have gone home.
Ik ben naar huis gegaan.
Door dezelfde werkwoorden in verschillende tijden te oefenen, herken je patronen sneller.
Maak je eigen werkwoordenlijst
Een goede lijst voor beginners hoeft niet enorm te zijn. Begin met 20 tot 30 werkwoorden die je vaak gebruikt.
Verdeel ze in groepen:
dagelijkse acties: go, come, eat, drink, sleep
werk: work, call, send, write, read
leren: learn, study, practice, understand, explain
communicatie: speak, ask, answer, say, tell
praktisch: need, want, have, do, make
Schrijf bij elk werkwoord drie dingen:
basisvorm
verleden tijd
voorbeeldzin
Bijvoorbeeld:
go – went – I went to work yesterday.
write – wrote – I wrote an email.
speak – spoke – She spoke English.
Dagelijkse oefening voor Engelse werkwoorden
Je kunt werkwoorden oefenen in 10 minuten per dag.
3 minuten: herhaal 10 werkwoorden.
3 minuten: maak zinnen in de tegenwoordige tijd.
2 minuten: zet dezelfde zinnen in de verleden tijd.
2 minuten: zeg de zinnen hardop.
Voorbeeld:
I write emails every day.
Ik schrijf elke dag e-mails.
I wrote an email yesterday.
Ik schreef gisteren een e-mail.
I have written three emails today.
Ik heb vandaag drie e-mails geschreven.
Deze oefening is simpel, maar heel effectief.
Conclusie
Engelse werkwoorden leren is essentieel als je duidelijke zinnen wilt maken. Begin met veelgebruikte werkwoorden, leer het verschil tussen regelmatige en onregelmatige vormen en oefen ze altijd in korte voorbeeldzinnen.
Let vooral op he/she/it + -s, de verleden tijd met -ed, onregelmatige vormen zoals went, had en did, en de derde vorm voor zinnen met have of has. Door elke dag een paar werkwoorden actief te gebruiken, wordt Engels spreken en schrijven steeds makkelijker.