De Duitse verleden tijd met haben en sein: zo kies je het juiste hulpwerkwoord
Leer wanneer je in de Duitse verleden tijd haben of sein gebruikt, met duidelijke regels, praktische voorbeelden en veelgemaakte fouten voor Nederlandstaligen.
De Duitse verleden tijd lijkt in het begin best logisch. Je gebruikt vaak een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord, net als in het Nederlands. Toch twijfelen veel beginners tussen haben en sein. Zeg je ich habe gegangen of ich bin gegangen? En waarom is het ich habe gearbeitet, maar ich bin gefahren?
Het goede nieuws: er zijn duidelijke regels. Als je weet wanneer een werkwoord beweging, verandering of toestand uitdrukt, wordt de keuze tussen haben en sein veel makkelijker.
Wat is de voltooide tijd in het Duits?
De meest gebruikte verleden tijd in gesproken Duits is het Perfekt. Deze vorm bestaat uit twee delen:
haben of sein + voltooid deelwoord
Voorbeelden:
Ich habe gelernt.
Ik heb geleerd.
Sie ist gekommen.
Zij is gekomen.
Wir haben gegessen.
Wij hebben gegeten.
Er ist nach Hause gegangen.
Hij is naar huis gegaan.
Het hulpwerkwoord staat op de tweede plek. Het voltooid deelwoord staat meestal aan het einde van de zin.
Voorbeeld:
Ich habe gestern Deutsch gelernt.
Ik heb gisteren Duits geleerd.
Wanneer gebruik je haben?
Je gebruikt haben bij de meeste Duitse werkwoorden. Dit is dus de standaardkeuze.
Voorbeelden:
Ich habe gearbeitet.
Ik heb gewerkt.
Du hast gelernt.
Jij hebt geleerd.
Sie hat Musik gehört.
Zij heeft muziek geluisterd.
Wir haben einen Film gesehen.
Wij hebben een film gezien.
Veel werkwoorden die een activiteit uitdrukken, gebruiken haben.
Denk aan:
lernen = leren
arbeiten = werken
machen = doen/maken
kaufen = kopen
essen = eten
trinken = drinken
lesen = lezen
sehen = zien/kijken
hören = horen/luisteren
Voorbeelden:
Ich habe ein Buch gelesen.
Ik heb een boek gelezen.
Er hat Wasser getrunken.
Hij heeft water gedronken.
Wir haben Pizza gegessen.
Wij hebben pizza gegeten.
Wanneer gebruik je sein?
Je gebruikt sein vooral bij werkwoorden die een beweging naar een andere plek of een verandering van toestand aangeven.
Belangrijke bewegingswerkwoorden zijn:
gehen = gaan/lopen
kommen = komen
fahren = rijden/gaan met vervoer
fliegen = vliegen
laufen = lopen/rennen
reisen = reizen
steigen = stijgen/klimmen/instappen
fallen = vallen
Voorbeelden:
Ich bin nach Berlin gefahren.
Ik ben naar Berlijn gegaan/gereisd.
Sie ist spät gekommen.
Zij is laat gekomen.
Wir sind nach Hause gegangen.
Wij zijn naar huis gegaan.
Er ist nach Spanien geflogen.
Hij is naar Spanje gevlogen.
Het gaat hier om echte verplaatsing van de ene plek naar de andere.
Sein bij verandering van toestand
Je gebruikt sein ook als iemand of iets verandert van toestand. Er gebeurt dan een overgang.
Belangrijke voorbeelden:
aufstehen = opstaan
einschlafen = in slaap vallen
wachsen = groeien
sterben = sterven
werden = worden
passieren = gebeuren
Voorbeelden:
Ich bin früh aufgestanden.
Ik ben vroeg opgestaan.
Das Kind ist eingeschlafen.
Het kind is in slaap gevallen.
Die Pflanze ist schnell gewachsen.
De plant is snel gegroeid.
Was ist passiert?
Wat is er gebeurd?
Bij aufstehen verandert iemand van liggend of zittend naar staand. Bij einschlafen verandert iemand van wakker naar slapend. Daarom gebruik je sein.
Haben of sein bij fahren?
Het werkwoord fahren is voor veel beginners verwarrend. Meestal gebruik je sein als je ergens naartoe gaat.
Voorbeelden:
Ich bin nach Köln gefahren.
Ik ben naar Keulen gereden/gegaan.
Wir sind mit dem Zug gefahren.
Wij zijn met de trein gegaan.
Maar als fahren een direct object heeft, gebruik je vaak haben.
Voorbeeld:
Ich habe das Auto gefahren.
Ik heb de auto bestuurd.
Het verschil:
Ich bin nach Hamburg gefahren.
Ik ben naar Hamburg gegaan.
Ich habe den Wagen gefahren.
Ik heb de auto bestuurd.
In dagelijkse situaties bedoel je vaak reizen of ergens naartoe gaan. Dan is sein meestal correct.
Haben of sein bij laufen?
Ook laufen kan twee kanten op. Als het gaat om verplaatsing naar een doel, gebruik je vaak sein.
Voorbeeld:
Ich bin nach Hause gelaufen.
Ik ben naar huis gelopen.
Als het meer gaat om de activiteit zelf, hoor je in sommige contexten ook haben, vooral bij sport of duur.
Voorbeeld:
Ich habe eine Stunde gelaufen.
Ik heb een uur hardgelopen.
Voor beginners is deze regel handig:
Bij richting of bestemming: meestal sein.
Bij activiteit zonder duidelijke bestemming: vaak haben.
Hoe vervoeg je haben en sein?
Je moet de tegenwoordige tijd van haben en sein goed kennen, omdat je die gebruikt in het Perfekt.
haben
ich habe
du hast
er/sie/es hat
wir haben
ihr habt
sie/Sie haben
Voorbeelden:
Ich habe gelernt.
Ik heb geleerd.
Du hast gegessen.
Jij hebt gegeten.
Sie hat gearbeitet.
Zij heeft gewerkt.
sein
ich bin
du bist
er/sie/es ist
wir sind
ihr seid
sie/Sie sind
Voorbeelden:
Ich bin gekommen.
Ik ben gekomen.
Du bist gefahren.
Jij bent gegaan/gereden.
Wir sind geblieben.
Wij zijn gebleven.
Hoe maak je het voltooid deelwoord?
Veel regelmatige werkwoorden krijgen:
ge- + stam + -t
Voorbeelden:
lernen → gelernt
leren → geleerd
machen → gemacht
doen/maken → gedaan/gemaakt
kaufen → gekauft
kopen → gekocht
Voorbeelden in zinnen:
Ich habe Deutsch gelernt.
Ik heb Duits geleerd.
Sie hat Kaffee gekauft.
Zij heeft koffie gekocht.
Sterke werkwoorden hebben vaak een andere vorm, meestal met -en.
Voorbeelden:
gehen → gegangen
gaan → gegaan
kommen → gekommen
komen → gekomen
essen → gegessen
eten → gegeten
sehen → gesehen
zien → gezien
Voorbeelden:
Wir sind gegangen.
Wij zijn gegaan.
Er hat gegessen.
Hij heeft gegeten.
Scheidbare werkwoorden in de verleden tijd
Bij scheidbare werkwoorden komt ge vaak tussen het voorvoegsel en de rest van het werkwoord.
Voorbeelden:
aufstehen → aufgestanden
opstaan → opgestaan
einkaufen → eingekauft
boodschappen doen → boodschappen gedaan
anrufen → angerufen
bellen → gebeld
Voorbeeldzinnen:
Ich bin früh aufgestanden.
Ik ben vroeg opgestaan.
Wir haben gestern eingekauft.
Wij hebben gisteren boodschappen gedaan.
Sie hat mich angerufen.
Zij heeft mij gebeld.
Let op het hulpwerkwoord. Aufstehen gebruikt sein, omdat het een verandering van toestand is. Einkaufen en anrufen gebruiken haben.
Veelgemaakte fouten
Een veelgemaakte fout is haben gebruiken bij duidelijke beweging.
Niet goed:
Ich habe nach Berlin gefahren.
Goed:
Ich bin nach Berlin gefahren.
Ik ben naar Berlijn gegaan.
Een andere fout is sein gebruiken bij normale activiteiten.
Niet goed:
Ich bin Deutsch gelernt.
Goed:
Ich habe Deutsch gelernt.
Ik heb Duits geleerd.
Ook het voltooid deelwoord staat soms op de verkeerde plek.
Niet goed:
Ich habe gelernt gestern Deutsch.
Goed:
Ich habe gestern Deutsch gelernt.
Ik heb gisteren Duits geleerd.
Bij scheidbare werkwoorden gaat het ook vaak mis.
Niet goed:
Ich habe geanrufen.
Goed:
Ich habe angerufen.
Ik heb gebeld.
Praktische oefening
Kies haben of sein.
- Ich ___ Deutsch gelernt.
- Wir ___ nach München gefahren.
- Sie ___ spät gekommen.
- Er ___ einen Kaffee getrunken.
- Ich ___ früh aufgestanden.
- Wir ___ einen Film gesehen.
- Was ___ passiert?
- Du ___ das Buch gelesen.
Antwoorden:
- habe
- sind
- ist
- hat
- bin
- haben
- ist
- hast
Samenvatting
In de Duitse voltooide tijd gebruik je haben of sein plus een voltooid deelwoord.
Gebruik haben bij de meeste werkwoorden:
Ich habe gelernt.
Ik heb geleerd.
Wir haben gegessen.
Wij hebben gegeten.
Sie hat gearbeitet.
Zij heeft gewerkt.
Gebruik sein bij beweging naar een andere plek en bij verandering van toestand:
Ich bin gegangen.
Ik ben gegaan.
Wir sind nach Berlin gefahren.
Wij zijn naar Berlijn gegaan.
Er ist aufgestanden.
Hij is opgestaan.
De belangrijkste vraag is: gaat iemand ergens naartoe, of verandert er iets van toestand? Dan is sein vaak juist. Gaat het om een gewone activiteit, iets doen, leren, eten, lezen of kopen? Dan gebruik je meestal haben.