Duitse getallen, dagen, maanden en kloktijden leren

Leer Duitse getallen, dagen, maanden, datums en kloktijden met duidelijke tabellen, correcte voorbeelden en handige uitleg voor Nederlandstaligen.

Getallen, dagen, maanden en kloktijden behoren tot de basis van de Duitse taal. Je gebruikt ze wanneer je een afspraak maakt, een hotel reserveert, naar een prijs vraagt of vertelt wanneer je jarig bent. Gelukkig lijken veel Duitse woorden op het Nederlands. Toch zijn er enkele belangrijke verschillen in uitspraak, spelling en woordvolgorde.

In deze uitleg leer je stap voor stap tellen in het Duits, datums formuleren en zowel informele als officiële kloktijden begrijpen.

Tellen van 0 tot en met 20 in het Duits

De eerste getallen moet je vooral uit het hoofd leren. Daarna kun je veel grotere getallen zelf samenstellen.

Getal Duits Nederlands
0 null nul
1 eins één
2 zwei twee
3 drei drie
4 vier vier
5 fünf vijf
6 sechs zes
7 sieben zeven
8 acht acht
9 neun negen
10 zehn tien
11 elf elf
12 zwölf twaalf
13 dreizehn dertien
14 vierzehn veertien
15 fünfzehn vijftien
16 sechzehn zestien
17 siebzehn zeventien
18 achtzehn achttien
19 neunzehn negentien
20 zwanzig twintig

Let vooral op sechzehn en siebzehn. Bij deze getallen verdwijnen enkele letters uit sechs en sieben. Vormen als sechszehn en siebenzehn zijn dus onjuist.

Het woord eins verandert soms in ein of eine wanneer het voor een zelfstandig naamwoord staat:

  • eins – één
  • ein Tag – één dag
  • eine Woche – één week
  • ein Jahr – één jaar

Getallen vanaf 21 vormen

Net als in het Nederlands noem je in het Duits eerst de eenheden en daarna de tientallen. Tussen beide delen komt und.

  • 21: einundzwanzig
  • 22: zweiundzwanzig
  • 35: fünfunddreißig
  • 48: achtundvierzig
  • 59: neunundfünfzig
  • 76: sechsundsiebzig
  • 99: neunundneunzig

Deze getallen worden in het Duits als één woord geschreven. Fünf und dreißig met spaties is daarom niet correct.

De tientallen zijn:

Getal Duits
20 zwanzig
30 dreißig
40 vierzig
50 fünfzig
60 sechzig
70 siebzig
80 achtzig
90 neunzig

Let op drie bijzondere vormen: dreißig, sechzig en siebzig. Je schrijft dus niet dreizig, sechszig of siebenzig.

Honderden en duizenden

Grotere getallen worden logisch opgebouwd:

  • 100: hundert of einhundert
  • 200: zweihundert
  • 365: dreihundertfünfundsechzig
  • 1.000: tausend of eintausend
  • 2.500: zweitausendfünfhundert
  • 10.000: zehntausend

Een praktisch voorbeeld:

Das Hotel kostet zweihundertfünfzig Euro pro Nacht.
Het hotel kost 250 euro per nacht.

In het Duits krijgen Million en Milliarde een hoofdletter, omdat het zelfstandige naamwoorden zijn:

  • eine Million
  • zwei Millionen
  • eine Milliarde

De dagen van de week

De Duitse dagen lijken sterk op de Nederlandse namen:

Duits Nederlands
Montag maandag
Dienstag dinsdag
Mittwoch woensdag
Donnerstag donderdag
Freitag vrijdag
Samstag zaterdag
Sonntag zondag

Dagen van de week krijgen in het Duits altijd een hoofdletter. Dat geldt voor alle Duitse zelfstandige naamwoorden.

Gebruik am wanneer je zegt dat iets op een bepaalde dag gebeurt:

Am Montag arbeite ich zu Hause.
Op maandag werk ik thuis.

Wir fahren am Samstag nach Deutschland.
We rijden zaterdag naar Duitsland.

Voor een herhaalde activiteit kun je de dag met een kleine letter en een uitgang gebruiken:

Montags lerne ich Deutsch.
Op maandagen leer ik Duits.

Sonntags sind die Geschäfte geschlossen.
Op zondagen zijn de winkels gesloten.

De maanden in het Duits

De meeste Duitse maandnamen zijn gemakkelijk te herkennen:

Duits Nederlands
Januar januari
Februar februari
März maart
April april
Mai mei
Juni juni
Juli juli
August augustus
September september
Oktober oktober
November november
Dezember december

Bij maanden gebruik je meestal het voorzetsel im:

Ich habe im Mai Geburtstag.
Ik ben in mei jarig.

Der Kurs beginnt im September.
De cursus begint in september.

Bij jaargetijden werkt het op dezelfde manier:

  • im Frühling – in de lente
  • im Sommer – in de zomer
  • im Herbst – in de herfst
  • im Winter – in de winter

Een datum zeggen en schrijven

Voor datums gebruikt het Duits rangtelwoorden. In geschreven datums staat na het getal een punt:

Heute ist der 18. Juli.
Vandaag is het 18 juli.

De punt laat zien dat je het getal als rangtelwoord uitspreekt. 18. wordt dus uitgesproken als achtzehnte en niet simpelweg als achtzehn.

Bij de getallen 1 tot en met 19 komt meestal -te:

    1. erste
    1. zweite
    1. dritte
    1. vierte
    1. zehnte
    1. neunzehnte

Vanaf 20 komt meestal -ste:

    1. zwanzigste
    1. einundzwanzigste
    1. dreißigste

De uitgang verandert afhankelijk van de zin:

Heute ist der erste März.
Vandaag is het 1 maart.

Wir treffen uns am ersten März.
We ontmoeten elkaar op 1 maart.

Mein Geburtstag ist am vierzehnten Oktober.
Mijn verjaardag is op 14 oktober.

Na am krijgt het rangtelwoord doorgaans de uitgang -en: am ersten, am zehnten en am dreißigsten.

Vragen naar de tijd

Je kunt op twee veelgebruikte manieren vragen hoe laat het is:

Wie spät ist es?
Hoe laat is het?

Wie viel Uhr ist es?
Hoe laat is het?

Een eenvoudig antwoord begint met Es ist:

Es ist drei Uhr.
Het is drie uur.

Es ist acht Uhr zehn.
Het is 8.10 uur.

In officiële situaties, dienstregelingen en aankondigingen wordt vaak de 24-uursnotatie gebruikt:

Der Zug fährt um sechzehn Uhr fünfundvierzig ab.
De trein vertrekt om 16.45 uur.

Let op het verschil tussen um en Uhr. Het voorzetsel um betekent in deze context “om”, terwijl Uhr bij de tijdsaanduiding hoort.

Der Film beginnt um acht Uhr.
De film begint om acht uur.

Informele kloktijden

In dagelijkse gesprekken gebruiken Duitsers vaak woorden zoals Viertel, halb, vor en nach.

  • 8.05: fünf nach acht
  • 8.15: Viertel nach acht
  • 8.25: fünf vor halb neun
  • 8.30: halb neun
  • 8.35: fünf nach halb neun
  • 8.45: Viertel vor neun
  • 8.55: fünf vor neun

Het belangrijkste verschil met het Nederlands is klein maar belangrijk. Het Duitse halb neun betekent, net als het Nederlandse “half negen”, 8.30 uur. Het verwijst dus naar het komende uur.

Voor een afspraak gebruik je um:

Wir treffen uns um Viertel nach sieben.
We spreken om kwart over zeven af.

Voor een tijdsduur gebruik je geen um:

Der Unterricht dauert zwei Stunden.
De les duurt twee uur.

Tijdstippen combineren met dagen en datums

Wanneer je meerdere tijdsaanduidingen gebruikt, kun je van algemeen naar specifiek werken:

Wir treffen uns am Freitag um zehn Uhr.
We ontmoeten elkaar vrijdag om tien uur.

Der Kurs beginnt am 3. September um 9 Uhr.
De cursus begint op 3 september om 9 uur.

Ich fahre morgen früh nach Berlin.
Ik reis morgenochtend naar Berlijn.

Handige tijdswoorden zijn:

  • heute – vandaag
  • morgen – morgen
  • übermorgen – overmorgen
  • gestern – gisteren
  • vorgestern – eergisteren
  • heute Morgen – vanochtend
  • heute Abend – vanavond
  • morgen Nachmittag – morgenmiddag

Let op het hoofdlettergebruik in heute Morgen en heute Abend. Morgen en Abend zijn hier zelfstandige naamwoorden.

Veelgemaakte fouten door Nederlandstaligen

Een veelvoorkomende fout is het los schrijven van samengestelde getallen. Correct is vierunddreißig, niet vier und dreißig.

Ook worden am, im en um soms door elkaar gehaald:

  • am Montag – op maandag
  • im August – in augustus
  • um neun Uhr – om negen uur

Verder mag je de punt na een datumgetal niet vergeten wanneer je een datum volledig in cijfers schrijft:

Der Termin ist am 5.8.2026.

Bij het uitspreken zeg je:

Der Termin ist am fünften August zweitausendsechsundzwanzig.

Ten slotte betekent het Duitse morgen zonder hoofdletter “morgen”, terwijl der Morgen met een hoofdletter “de ochtend” betekent.

Oefenen met praktische zinnen

Probeer de volgende zinnen eerst zelf naar het Duits te vertalen:

  1. De afspraak is dinsdag om half vier.
  2. Mijn verjaardag is op 21 juni.
  3. De trein vertrekt om 18.45 uur.
  4. In december zijn we in Duitsland.
  5. De cursus duurt drie weken.

De correcte vertalingen zijn:

  1. Der Termin ist am Dienstag um halb vier.
  2. Mein Geburtstag ist am einundzwanzigsten Juni.
  3. Der Zug fährt um achtzehn Uhr fünfundvierzig ab.
  4. Im Dezember sind wir in Deutschland.
  5. Der Kurs dauert drei Wochen.

Conclusie

Duitse getallen, dagen, maanden en kloktijden zijn niet moeilijk wanneer je de vaste patronen herkent. Leer eerst de getallen tot twintig en de tientallen. Daarna kun je vrijwel ieder getal zelf vormen. Onthoud daarnaast de combinatie am voor dagen en datums, im voor maanden en um voor exacte tijdstippen.

Gebruik de woorden regelmatig in korte, praktische zinnen. Vertel bijvoorbeeld iedere dag in het Duits welke datum het is, hoe laat je begint en wat je de volgende dag gaat doen. Zo worden deze basiswoorden snel een vanzelfsprekend onderdeel van je Duitse woordenschat.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *