Ontkenning in het Duits: wanneer gebruik je nicht en kein?
Leer wanneer je in het Duits nicht en kein gebruikt, met duidelijke regels, praktische voorbeelden en veelgemaakte fouten voor Nederlandstaligen.
Ontkenning in het Duits lijkt in het begin eenvoudig: in het Nederlands gebruik je vaak niet of geen, en in het Duits bestaan daar nicht en kein voor. Toch gaat het vaak mis, omdat je niet zomaar woord voor woord kunt vertalen. Het verschil tussen nicht en kein hangt vooral af van wat je precies ontkent: een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een hele zin of juist een zelfstandig naamwoord.
In dit artikel leer je stap voor stap wanneer je nicht gebruikt, wanneer kein beter is en waar je de ontkenning in de zin zet.
Het korte verschil tussen nicht en kein
De eenvoudigste regel is:
Gebruik kein bij zelfstandige naamwoorden zonder bepaald lidwoord of met een onbepaald idee.
Voorbeelden:
Ich habe kein Auto.
Ik heb geen auto.
Sie trinkt keinen Kaffee.
Zij drinkt geen koffie.
Wir haben keine Zeit.
Wij hebben geen tijd.
Gebruik nicht bij werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden, bepaalde zelfstandige naamwoorden en hele zinnen.
Voorbeelden:
Ich komme heute nicht.
Ik kom vandaag niet.
Das ist nicht teuer.
Dat is niet duur.
Ich kaufe das Buch nicht.
Ik koop het boek niet.
Deze basisregel helpt al enorm. Denk aan het Nederlands: geen lijkt vaak op kein, en niet lijkt vaak op nicht.
Wanneer gebruik je kein?
Kein gebruik je vooral als je in het Nederlands geen zou zeggen. Het staat bij een zelfstandig naamwoord en gedraagt zich grammaticaal ongeveer zoals ein. Dat betekent dat kein ook naamval en geslacht volgt.
Voorbeelden:
Ich habe einen Hund.
Ik heb een hond.
Ich habe keinen Hund.
Ik heb geen hond.
Sie hat eine Frage.
Zij heeft een vraag.
Sie hat keine Frage.
Zij heeft geen vraag.
Wir brauchen ein Ticket.
Wij hebben een ticket nodig.
Wir brauchen kein Ticket.
Wij hebben geen ticket nodig.
Let goed op: kein verandert mee met het zelfstandig naamwoord. Bij der-woorden krijg je vaak keinen in de accusatief, bij die-woorden keine, bij das-woorden kein.
Nog een paar praktische voorbeelden:
Ich sehe keinen Film.
Ik kijk geen film.
Er liest keine Zeitung.
Hij leest geen krant.
Wir kaufen kein Brot.
Wij kopen geen brood.
Sie haben keine Kinder.
Zij hebben geen kinderen.
In het meervoud gebruik je meestal keine:
Ich habe keine Bücher.
Ik heb geen boeken.
Wir kennen keine Leute in Berlin.
Wij kennen geen mensen in Berlijn.
Wanneer gebruik je nicht?
Nicht gebruik je als je niet een zelfstandig naamwoord met “geen” ontkent, maar iets anders in de zin.
Bij een werkwoord:
Ich arbeite heute nicht.
Ik werk vandaag niet.
Er kommt morgen nicht.
Hij komt morgen niet.
Bij een bijvoeglijk naamwoord:
Das Essen ist nicht kalt.
Het eten is niet koud.
Diese Aufgabe ist nicht schwer.
Deze opdracht is niet moeilijk.
Bij een bijwoord:
Sie spricht nicht langsam.
Zij spreekt niet langzaam.
Er fährt nicht schnell.
Hij rijdt niet snel.
Bij een bepaald zelfstandig naamwoord:
Ich kaufe das Buch nicht.
Ik koop het boek niet.
Wir besuchen die Stadt nicht.
Wij bezoeken de stad niet.
Hier gebruik je nicht, omdat das Buch en die Stadt bepaald zijn. Je zegt niet “geen boek”, maar “het boek niet”.
De plaats van nicht in de Duitse zin
De plek van nicht is voor veel leerlingen lastig. Er is niet één simpele regel die alles oplost, maar deze richtlijn werkt vaak goed: nicht staat dicht bij het woord of deel dat je ontkent.
Als je de hele zin ontkent, staat nicht vaak later in de zin.
Voorbeelden:
Ich komme heute nicht.
Ik kom vandaag niet.
Wir fahren morgen nicht nach Hamburg.
Wij gaan morgen niet naar Hamburg.
Ich habe das nicht verstanden.
Ik heb dat niet begrepen.
Bij samengestelde werkwoordsvormen staat nicht vaak vóór het voltooid deelwoord of de infinitief als dat deel sterk bij de werkwoordsgroep hoort.
Voorbeelden:
Ich habe das Buch nicht gelesen.
Ik heb het boek niet gelezen.
Er kann heute nicht kommen.
Hij kan vandaag niet komen.
Wir wollen nicht warten.
Wij willen niet wachten.
Als je juist één specifiek deel wilt ontkennen, zet je nicht direct vóór dat deel.
Voorbeelden:
Ich fahre nicht mit dem Zug, sondern mit dem Auto.
Ik ga niet met de trein, maar met de auto.
Nicht Peter kommt, sondern Anna.
Niet Peter komt, maar Anna.
Das ist nicht mein Problem.
Dat is niet mijn probleem.
Kein of nicht bij beroepen en rollen?
Bij beroepen, rollen en identiteiten gebruik je meestal kein, omdat je een zelfstandig naamwoord ontkent.
Voorbeelden:
Er ist Arzt.
Hij is arts.
Er ist kein Arzt.
Hij is geen arts.
Sie ist Lehrerin.
Zij is lerares.
Sie ist keine Lehrerin.
Zij is geen lerares.
Maar als je een bepaald persoon of een bepaalde rol bedoelt, gebruik je nicht.
Voorbeeld:
Er ist nicht der Arzt.
Hij is niet de dokter.
Het verschil is dus belangrijk. Er ist kein Arzt betekent dat hij geen arts van beroep is. Er ist nicht der Arzt betekent dat hij niet de specifieke dokter is waarover je praat.
Kein of nicht bij eigenschappen?
Als je een eigenschap ontkent met een bijvoeglijk naamwoord, gebruik je nicht.
Voorbeelden:
Das Auto ist nicht neu.
De auto is niet nieuw.
Der Film ist nicht interessant.
De film is niet interessant.
Meine Wohnung ist nicht groß.
Mijn woning is niet groot.
Maar als de eigenschap onderdeel is van een zelfstandig naamwoord, gebruik je kein.
Voorbeelden:
Das ist kein neues Auto.
Dat is geen nieuwe auto.
Das ist kein interessanter Film.
Dat is geen interessante film.
Das ist keine große Wohnung.
Dat is geen grote woning.
Vergelijk:
Das Buch ist nicht deutsch.
Het boek is niet Duits.
Das ist kein deutsches Buch.
Dat is geen Duits boek.
In de eerste zin ontken je een eigenschap. In de tweede zin ontken je een soort boek.
Andere ontkennende woorden in het Duits
Naast nicht en kein zijn er nog meer woorden waarmee je iets ontkent.
Niemand betekent niemand:
Niemand ist zu Hause.
Niemand is thuis.
Ich kenne niemanden.
Ik ken niemand.
Nichts betekent niets:
Ich sehe nichts.
Ik zie niets.
Das kostet nichts.
Dat kost niets.
Nie of niemals betekent nooit:
Ich war nie in Österreich.
Ik ben nooit in Oostenrijk geweest.
Er vergisst das niemals.
Hij vergeet dat nooit.
Nirgendwo betekent nergens:
Ich finde meine Schlüssel nirgendwo.
Ik vind mijn sleutels nergens.
Belangrijk: in standaard Duits gebruik je meestal geen dubbele ontkenning zoals in sommige andere talen. Je zegt dus niet “Ich sehe nicht nichts”, maar gewoon:
Ich sehe nichts.
Ik zie niets.
Veelgemaakte fouten door Nederlandstaligen
Een veelgemaakte fout is nicht gebruiken waar kein nodig is.
Niet goed:
Ich habe nicht Auto.
Goed:
Ich habe kein Auto.
Ik heb geen auto.
Een andere fout is kein gebruiken bij een bijvoeglijk naamwoord.
Niet goed:
Das ist kein teuer.
Goed:
Das ist nicht teuer.
Dat is niet duur.
Ook de plaats van nicht zorgt vaak voor verwarring. Kijk goed naar wat je precies ontkent.
Ich esse heute nicht Pizza.
Deze zin klinkt alsof je bedoelt: ik eet vandaag niet pizza, maar iets anders.
Natuurlijker is meestal:
Ich esse heute keine Pizza.
Ik eet vandaag geen pizza.
Maar als je een contrast wilt maken, kan nicht wel:
Ich esse heute nicht Pizza, sondern Pasta.
Ik eet vandaag niet pizza, maar pasta.
Praktische oefening
Kies in elke zin tussen nicht en kein.
- Ich habe ___ Zeit.
- Das ist ___ einfach.
- Wir kaufen ___ Brot.
- Er kommt heute ___.
- Sie ist ___ Ärztin.
- Ich verstehe die Frage ___.
- Wir haben ___ Problem.
- Der Zug fährt ___ schnell.
Antwoorden:
- keine
- nicht
- kein
- nicht
- keine
- nicht
- kein
- nicht
Samenvatting
Gebruik kein als je een zelfstandig naamwoord ontkent en in het Nederlands vaak geen zou zeggen. Gebruik nicht als je een werkwoord, eigenschap, bijwoord, bepaalde zaak of hele zin ontkent.
De belangrijkste voorbeelden om te onthouden zijn:
Ich habe kein Auto.
Ik heb geen auto.
Ich komme heute nicht.
Ik kom vandaag niet.
Das ist nicht teuer.
Dat is niet duur.
Sie hat keine Zeit.
Zij heeft geen tijd.
Als je twijfelt, vraag jezelf dan af: ontken ik een zelfstandig naamwoord als “geen auto”, “geen tijd” of “geen boek”? Dan is kein meestal juist. Ontken je een handeling, eigenschap of hele zin? Dan gebruik je meestal nicht.