Scheidbare werkwoorden in het Duits: regels, voorbeelden en veelgemaakte fouten
Leer hoe scheidbare werkwoorden in het Duits werken, waar het voorvoegsel staat en hoe je ze correct gebruikt in zinnen, vragen en de voltooide tijd.
Scheidbare werkwoorden zijn een belangrijk onderdeel van de Duitse grammatica. Als je Duits leert, kom je ze al snel tegen in dagelijkse zinnen zoals aufstehen, einkaufen, anrufen en mitkommen. Voor Nederlandstaligen zijn ze niet helemaal vreemd, omdat het Nederlands ook werkwoorden kent zoals opstaan, meenemen en aankomen. Toch werkt de woordvolgorde in het Duits net iets strenger.
In dit artikel leer je wat scheidbare werkwoorden zijn, hoe je ze vervoegt, waar het losse deel in de zin komt en welke fouten je makkelijk kunt vermijden.
Wat zijn scheidbare werkwoorden?
Een scheidbaar werkwoord bestaat uit twee delen: een voorvoegsel en een basiswerkwoord. In de infinitief staan die twee delen aan elkaar vast.
Voorbeelden:
aufstehen = opstaan
einkaufen = boodschappen doen / inkopen
anrufen = bellen
mitkommen = meekomen
zumachen = dichtdoen
ausgehen = uitgaan
Het eerste deel, zoals auf, ein, an of mit, kan in een gewone hoofdzin loskomen van het werkwoord. Daarom heet het een scheidbaar werkwoord.
Voorbeeld:
Ich stehe um sieben Uhr auf.
Ik sta om zeven uur op.
Het hele werkwoord is aufstehen, maar in de zin staat stehe op de tweede plek en auf helemaal aan het einde.
De basisregel in hoofdzinnen
In een normale Duitse hoofdzin staat het vervoegde werkwoord op de tweede positie. Bij scheidbare werkwoorden gaat het basiswerkwoord naar die tweede positie, en het voorvoegsel gaat naar het einde van de zin.
Voorbeelden:
Ich rufe dich morgen an.
Ik bel je morgen.
Wir kaufen heute ein.
Wij doen vandaag boodschappen.
Er macht die Tür zu.
Hij doet de deur dicht.
Sie steht früh auf.
Zij staat vroeg op.
Du kommst mit.
Jij komt mee.
Dit is de belangrijkste regel om te onthouden: het voorvoegsel staat vaak helemaal achteraan.
Niet goed:
Ich aufstehe um sieben Uhr.
Goed:
Ich stehe um sieben Uhr auf.
Ik sta om zeven uur op.
Veelvoorkomende scheidbare voorvoegsels
Er zijn veel scheidbare voorvoegsels in het Duits. De volgende komen vaak voor:
auf-
Voorbeelden: aufstehen, aufmachen, aufräumen
Betekenis: op, open, opruimen afhankelijk van het werkwoord
Ich mache das Fenster auf.
Ik doe het raam open.
an-
Voorbeelden: anrufen, ankommen, anmachen
Betekenis: aan, naar, beginnen of contact maken
Ich rufe meine Mutter an.
Ik bel mijn moeder.
ein-
Voorbeelden: einkaufen, einsteigen, einladen
Betekenis: in, naar binnen, uitnodigen of inkopen
Wir steigen in Berlin ein.
Wij stappen in Berlijn in.
aus-
Voorbeelden: ausgehen, aussteigen, ausschalten
Betekenis: uit, naar buiten, uitschakelen
Sie steigt an der nächsten Haltestelle aus.
Zij stapt bij de volgende halte uit.
mit-
Voorbeelden: mitkommen, mitbringen, mitmachen
Betekenis: mee
Bringst du einen Freund mit?
Neem je een vriend mee?
zu-
Voorbeelden: zumachen, zuhören, zunehmen
Betekenis: dicht, toe, luisteren of toenemen
Hörst du mir zu?
Luister je naar mij?
zurück-
Voorbeelden: zurückkommen, zurückgeben, zurückrufen
Betekenis: terug
Ich rufe später zurück.
Ik bel later terug.
Scheidbare werkwoorden in vragen
In ja/nee-vragen staat het vervoegde werkwoord vooraan. Het voorvoegsel blijft aan het einde.
Voorbeelden:
Stehst du früh auf?
Sta jij vroeg op?
Rufst du mich morgen an?
Bel je mij morgen?
Kommst du mit?
Kom je mee?
Kauft ihr heute ein?
Doen jullie vandaag boodschappen?
In vragen met een vraagwoord staat het vraagwoord eerst, daarna het vervoegde werkwoord, en het voorvoegsel opnieuw aan het einde.
Voorbeelden:
Wann stehst du auf?
Wanneer sta je op?
Wen rufst du an?
Wie bel je?
Was bringst du mit?
Wat neem je mee?
Wo steigst du aus?
Waar stap je uit?
Deze structuur is heel normaal in het Duits. Voor Nederlandse sprekers voelt het vaak logisch, maar je moet goed onthouden dat het losse deel niet halverwege de zin blijft hangen.
Scheidbare werkwoorden met modale werkwoorden
Als er een modaal werkwoord in de zin staat, zoals können, müssen, wollen of dürfen, blijft het scheidbare werkwoord aan elkaar vast in de infinitief. Het staat dan aan het einde van de zin.
Voorbeelden:
Ich muss früh aufstehen.
Ik moet vroeg opstaan.
Wir wollen heute einkaufen.
Wij willen vandaag boodschappen doen.
Kannst du mich morgen anrufen?
Kun je mij morgen bellen?
Sie darf nicht mitkommen.
Zij mag niet meekomen.
Hier wordt aufstehen, einkaufen, anrufen of mitkommen niet gescheiden, omdat het in de infinitief staat.
Vergelijk:
Ich stehe früh auf.
Ik sta vroeg op.
Ich muss früh aufstehen.
Ik moet vroeg opstaan.
In de eerste zin is aufstehen het hoofdwerkwoord en wordt het gescheiden. In de tweede zin staat müssen als vervoegd werkwoord, en aufstehen blijft heel aan het einde.
Scheidbare werkwoorden in de voltooide tijd
In de voltooide tijd gebruik je meestal haben of sein plus een voltooid deelwoord. Bij veel scheidbare werkwoorden komt ge tussen het voorvoegsel en de rest van het werkwoord.
Voorbeelden:
aufstehen → aufgestanden
einkaufen → eingekauft
anrufen → angerufen
mitbringen → mitgebracht
zumachen → zugemacht
Voorbeeldzinnen:
Ich bin heute früh aufgestanden.
Ik ben vandaag vroeg opgestaan.
Wir haben gestern eingekauft.
Wij hebben gisteren boodschappen gedaan.
Sie hat mich angerufen.
Zij heeft mij gebeld.
Er hat sein Buch mitgebracht.
Hij heeft zijn boek meegenomen.
Ich habe die Tür zugemacht.
Ik heb de deur dichtgedaan.
Let op: sommige werkwoorden gebruiken sein, vooral als er beweging of verandering van toestand is.
Voorbeeld:
Ich bin um acht Uhr aufgestanden.
Ik ben om acht uur opgestaan.
Wir sind in Hamburg angekommen.
Wij zijn in Hamburg aangekomen.
Scheidbare werkwoorden in bijzinnen
In bijzinnen met woorden zoals weil, dass of wenn staat het vervoegde werkwoord aan het einde. Bij scheidbare werkwoorden blijft het voorvoegsel dan vast aan het werkwoord.
Voorbeelden:
Ich bin müde, weil ich früh aufstehe.
Ik ben moe, omdat ik vroeg opsta.
Sie sagt, dass sie mich morgen anruft.
Zij zegt dat ze mij morgen belt.
Wenn du mitkommst, fahren wir zusammen.
Als je meekomt, gaan we samen.
Dit is een belangrijk verschil met hoofdzinnen.
Hoofdzin:
Ich stehe früh auf.
Ik sta vroeg op.
Bijzin:
…, weil ich früh aufstehe.
…, omdat ik vroeg opsta.
In de bijzin schrijf je aufstehe als één woord aan het einde.
Veelgemaakte fouten
Een veelgemaakte fout is het voorvoegsel vergeten.
Niet goed:
Ich stehe um sieben Uhr.
Als je “ik sta om zeven uur op” bedoelt, moet je zeggen:
Ich stehe um sieben Uhr auf.
Een andere fout is het voorvoegsel op de verkeerde plek zetten.
Niet goed:
Ich rufe an dich morgen.
Goed:
Ich rufe dich morgen an.
Ik bel je morgen.
Ook in de voltooide tijd gaat het vaak mis. Het ge komt bij scheidbare werkwoorden meestal tussen het voorvoegsel en de rest.
Niet goed:
Ich habe geanrufen.
Goed:
Ich habe angerufen.
Ik heb gebeld.
Nog een fout is scheiden terwijl het werkwoord in de infinitief moet blijven.
Niet goed:
Ich muss früh stehe auf.
Goed:
Ich muss früh aufstehen.
Ik moet vroeg opstaan.
Praktische oefening
Maak de zinnen af met de juiste vorm van het scheidbare werkwoord.
- Ich ___ um sechs Uhr ___.
Werkwoord: aufstehen - Wir ___ heute ___.
Werkwoord: einkaufen - Rufst du mich morgen ___?
Werkwoord: anrufen - Sie muss früh ___.
Werkwoord: aufstehen - Ich habe gestern meine Schwester ___.
Werkwoord: anrufen
Antwoorden:
- Ich stehe um sechs Uhr auf.
- Wir kaufen heute ein.
- Rufst du mich morgen an?
- Sie muss früh aufstehen.
- Ich habe gestern meine Schwester angerufen.
Samenvatting
Scheidbare werkwoorden bestaan uit een voorvoegsel en een basiswerkwoord. In de infinitief schrijf je ze aan elkaar, zoals aufstehen, anrufen en einkaufen. In een gewone hoofdzin wordt het werkwoord gescheiden: het vervoegde deel staat op de tweede positie en het voorvoegsel staat aan het einde.
De belangrijkste voorbeelden zijn:
Ich stehe früh auf.
Ik sta vroeg op.
Ich rufe dich an.
Ik bel je.
Wir kaufen ein.
Wij doen boodschappen.
Met een modaal werkwoord blijft het werkwoord heel:
Ich muss früh aufstehen.
Ik moet vroeg opstaan.
In een bijzin blijft het ook aan elkaar:
…, weil ich früh aufstehe.
…, omdat ik vroeg opsta.
Als je deze regels oefent, worden Duitse zinnen meteen natuurlijker. Scheidbare werkwoorden komen namelijk overal voor in dagelijks Duits: bij opstaan, bellen, boodschappen doen, reizen, luisteren en plannen maken.